Habitattype

Habitattype in de Noordzeekustzone

Habitattype H1110B – Permanent overstroomde zandbanken

Het habitattype ‘Permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken’ is landschappelijk gedefinieerd op basis van vormen van het aardoppervlak en de (getijde)stroming van het water. Het omvat zandbanken in ondiepe delen van de zee die voortdurend onder water staan en waar de waterkolom zelden hoger is dan 20 meter. Plaatselijk kan er een harde ondergrond zijn zoals een schelpenbank, veen, keileem of stenen, of door organismen gevormde structuren. Wat tot het habitattype wordt gerekend omvat het gehele complex van zandbanken, tussenliggende laagten en geulen (die dieper kunnen zijn dan 20 meter), harde structuren en de waterkolom erboven.

In helder water kan tot op deze diepte fotosynthese plaatsvinden, maar in het overwegend troebele kustgebied dringt het licht minder diep door. Algengemeenschappen kunnen daardoor alleen voorkomen in de ondiepere gebieden van dit habitattype. In het verleden kwamen in deze gebieden ook begroeiingen voor met groot zeegras (Zostera marina).

Het relatieve belang van dit habitattype binnen Europa is zeer groot. De Nederlandse kust en het Nederlands continentaal plat leveren een relatief zeer grote bijdrage aan het areaal van dit habitattype binnen de Europese Unie. De zandbanken van dit type zijn op veel plaatsen langs de Europese kusten te vinden, maar de combinatie van abiotische en biotische kwaliteiten in gebieden die vergelijkbaar zijn met de Voordelta en de Waddenzee niet.

Voor het habitattype 1110 is een profieldocument opgesteld, maar vanwege de variëteit binnen dit habitattype heeft Nederland besloten het op te delen in drie subtypen. Dat zijn H1110A Waddenzee, H1110B Noordzeekustzone en H1110C Offshore.

Subtype B komt voor in de (al aangewezen) gebieden Voordelta, Noordzeekustzone, Vlakte van de Raan en Westerschelde.

Meer informatie over permanent overstroomde zandbanken kunt u hier vinden.

Habitattype H1140 – Slik- en zandplaten

Het habitattype H1140 ‘Slik- en zandplaten’ is op landschapsniveau gedefinieerd op basis van vormen van het aardoppervlak en de stroming van water. Slikwadden en zandplaten betreffen de ondiepe kustgebieden die door de werking van eb en vloed  droogvallen en weer onder water komen te staan. Plaatselijk kunnen harde substraten als schelpenbanken en door organismen gevormde, zogenoemde biogene structuren voorkomen.

De begrenzing tussen de habitattypen H1110 en H1140 wordt gevormd door de laagwaterlijn die gebaseerd is op Lowest Astronomical Tide (L.A.T.). Het habitattype bevindt zich tussen hoog- en laagwater. De bovengrens wordt gevormd door de gemiddelde hoogwaterlijn. Als vegetaties van de pionierzone van een kwelder (H1310, H1320 en H1330) zich lager dan deze lijn bevinden dan wordt de benedengrens van deze typen als bovengrens van H1140 aangehouden. De benedengrens wordt gevormd door de laagwaterlijn die gebaseerd is op de L.A.T.

Het habitattype bestaat intern uit een mozaïek van mariene ecotopen, zoals bij eb droogvallende, hoge en lage, zandige en slibrijke platen met mosselbanken, kokkelbanken en zeegras- en ruppiavelden. Binnen de platen komen verdiepingen voor die gedurende een groot deel van de getijcyclus het karakter hebben van geulen en prielen met (snel) stromend water. Bij laagwater liggen ze droog. Soms zijn ze bebakend als vaarweg. De afwisseling van en de functionele samenhang tussen de ecotopen vormen een wezenlijk aspect van de structuur en functie van het habitattype.

De kwaliteit van het habitattype wordt bepaald door deze habitatdiversiteit en de daarmee gepaard gaande biodiversiteit. Het mozaïek van ecotopen van de droogvallende platen vormt een landschapsecologisch geheel met het sublitoraal (H1110, zie boven) en terrestrische habitattypen van kwelders, schorren en duinen. De landschappelijke samenhang van het getijdenlandschap is voor veel van haar karakteristieke soorten cruciaal, omdat die soorten een deel van hun levenscyclus in verschillende deelsystemen doorbrengen.

De Nederlandse kust en het Nederlands Continentaal Plat leveren een relatief zeer grote bijdrage aan het areaal van dit habitattype in de Europese Unie. De slik- zandbanken van dit type komen wijd verspreid voor langs de Europese kusten. Een combinatie van de abiotische en biotische kwaliteiten in gebieden die vergelijkbaar zijn met de Delta en Waddenzee, komt echter slechts op weinig andere plaatsen op deze schaal voor.

De intergetijdenplaten in de Waddenzee en Delta zijn met hun rijke bodemfauna belangrijk als voedselgebied voor jonge vis en vogels en zijn een rustgebied voor zeehonden. Hiermee zijn zij van wereldwijde betekenis als onmisbare stapsteen voor trekvogels tussen overwinteringsgebieden in West-Afrika en de noordelijke broedgebieden zoals Siberië. Ook vervullen de Nederlandse getijdenplaten een functie als belangrijke kinderkamer voor de vis in de Noordzee.

Meer informatie over slik- en zandplaten kunt u hier vinden.

Habitattype H1310 – Zilte pionierbegroeiingen

Het habitattype H1310 ‘Zilte pionierbegroeiingen’ betreft pionierbegroeiingen op zilte gronden in het kustgebied, zowel buiten- als binnendijks. Zilte pionierbegroeiingen komen voor op plekken waar overstroming met zout water zorgt voor dynamische en open standplaatsen. Het betreft enerzijds pioniergemeenschappen met vooral zeekraalsoorten en anderzijds pioniergemeenschappen met Zeevetmuur.

De begroeiingen ontwikkelen zich ieder jaar opnieuw op een kale, meestal opdrogende bodem. Beide begroeiingen komen veelal in dezelfde gebieden voor. Toch is de ecologie zeer verschillend. Ze worden daarom als twee subtypen beschouwd. Verschillen in overstromingsfrequentie, zout- en vochtgehalte zijn bepalend voor het onderscheid tussen deze subtypen.

H1310A Zeekraal

Deze begroeiingen komen voor op hooggelegen slikken, lage schorren en kwelders, laaggelegen, sterk uitdrogende delen van hogere schorren en kwelders en als binnendijkse begroeiingen van zoute standplaatsen. Het gaat om dagelijks met zeewater overstroomde of langdurig natte plekken.

H1310B Zeevetmuur

Deze begroeiingen komen voor op achterduinse strandvlaktes, in de overgangszone tussen kwelders en duinen, en op ingedijkte zandplaten. De bodem blijft zilt door incidentele overstroming met zout water, maar is minder zout en minder voedselrijk dan die van subtype A.

De zilte pionierbegroeiingen komen wijd verspreid voor langs de Europese kusten. Daarbij nemen ze overal slechts kleine oppervlakten in. De aanzienlijk grote oppervlakte die zeker zeekraal in Nederland inneemt is daarom van relatief groot belang.

Meer informatie over zilte pioenierbegroeiingen kunt u hier vinden.

Habitattype H13130 – Schorren en zilte graslanden

In Nederland betreft dit habitattype schorren of kwelders en andere zilte graslanden in het kustgebied. Het begrip kustgebied moet hier breed worden opgevat: het habitattype komt voor in zowel buitendijkse als binnendijkse gebieden (wat tot uitdrukking komt in het onderscheiden van subtypen). Ook het begrip 'grasland' dekt de lading slechts ten dele: een deel van de begroeiingen bestaat uit russen en biezen, kruiden (zoals Lamsoor of Zeealsem) en - in brakke zones - Riet.  Voor de biodiversiteit zijn meerdere aspecten van belang. De verschillende plantengemeenschappen en (dier)soorten reageren op een bepaalde hoogteligging, de daaraan (deels) gerelateerde vochthuishouding, de grondsoort (van zandig tot kleiig), zoutgehalte (brak tot zout), leeftijd (succesiestadium) en mate van begrazing. Het is dan ook gewenst allerlei vormen en successiestadia te behouden, wat onder andere noodzakelijk is voor het behoud van het grote aantal typische soorten (maar ook voor veel soorten die daarvoor niet geselecteerd zijn, bijvoorbeeld de talrijke ongewervelde diersoorten die sterk afhankelijk zijn van met name de lage en jonge kwelders).

In de Noordzee Kustzone komt specifiek het subtype H1330A voor. Dit subtype betreft de buitendijkse vorm van het habitattype. Het omvat de als gevolg van het getij (meer of minder frequent) overstroomde graslanden van het getijdengebied (eiland- en vastelandskwelders) en van de duinen (in slufters, wash-overs, achterduinse strandvlakten en groene stranden). Deze begroeiingen worden door het zeewater overstroomd vanuit de (tot soms ver in de kwelders doordringende) getijdenkreken. Dit subtype is van zeer groot belang binnen Europa.

Meer informatie over schorren en zilte graslanden kunt u hier vinden.

Habitattype H2110 – Embryonale duinen

Het habitattype betreft soortenarme pionierduintjes met begroeiingen van vooral Biestarwegras. De begroeiingen kunnen variëren in dichtheid. Embryonale duinen komen met name voor op het strand aan de voet van de zeereep, maar ook wel langs de randen van slufters, 'wash-overs' (laagten waar incidenteel zeewater overheen spoelt) en op achterduinse strandvlakten. Dit is de overgangszone van zout naar zoet milieu: overstroming met zeewater vindt incidenteel tot regelmatig plaats (maar niet zo vaak dat de duintjes volledig wegspoelen). Door de hoge dynamiek kunnen de begroeiingen een fluctuerende oppervlakte en deels wisselende locatie innemen. Waar de embryonale duinen voorkomen in afwisseling met kaal zand en/of vloedmerkbegroeiingen (met bijvoorbeeld strandmelde en zeeraket), wordt daarom het gehele mozaïek tot het habitattype gerekend.

Het habitattype embryonale duinen is in Europa wijd verspreid, zowel langs de Atlantische kusten als langs de Mediterrane kusten, maar Nederland heeft relatief veel duinen.

Meer informatie over embryonale duinen kunt u hier vinden.

Habitattype H2190 – Vochtige duinvalleien

het habitattype ‘Vochtige duinvalleien’ is veelomvattend: het betreft open water, vochtige graslanden, lage moerasvegetaties en rietlanden, alle voor zover voorkomend in (min of meer natuurlijke) laagten in de duinen. Buiten de duinen worden alleen de in het overige kustgebied voorkomende min of meer grazige vormen tot het habitattype gerekend. Mede door de grote ecologische variatie is het aantal kenmerkende soorten zeer groot. Het gaat om relatief jonge successiestadia. Begroeiingen van oudere (al of niet verdroogde) successiestadia in duinvalleien behoren tot andere habitattypen. Ook in cultuur gebrachte valleien worden niet tot het habitattype gerekend.

Vochtige duinvalleien kunnen van nature op twee manieren ontstaan. Primaire duinvalleien ontstaan doordat strandvlakten door duinen worden afgesnoerd van zee. Secundaire duinvalleien ontstaan in het kielzog van mobiele duinen, maar tegenwoordig alleen nog doordat stuifkuilen uitstuiven tot op het grondwaterniveau. Daarnaast kunnen vochtige duinvalleien worden ontwikkeld door inrichtingsmaatregelen. Door de vertraagde reactie van de zoetwaterbel op de neerslag wijkt de grondwaterdynamiek in duinen nogal af van die in het binnenland. Er kunnen jaren achtereen optreden waarin (grond)waterstanden ver boven, of juist onder het gemiddelde niveau liggen. Deze dynamiek is op zich gunstig voor de instandhouding van open vegetaties waarin ook ruimte is voor concurrentiegevoelige pioniersoorten. Het vormt echter een risico voor het voortbestaan van soorten die slechts in een kleine populatie voorkomen. Voorwaarde voor de instandhouding van de soortenrijkdom is daarom dat er voldoende ruimte is voor soorten om te ‘pendelen’. Daarvoor moet binnen de valleien zelf en binnen het duingebied als geheel voldoende variatie aanwezig zijn, met gradiënten die idealiter lopen van open water tot droog duin. Binnen vochtige duinvalleien bestaat een grote variatie aan standplaatscondities, afhankelijk van ontstaansgeschiedenis, leeftijd, waterregime en kalkgehalte van de bodem of het kwelwater. Om die reden zijn de vochtige duinvalleien in een aantal subtypen opgesplitst. Waterdiepte, vegetatiestructuur en kalkgehalte zijn bepalend voor de verschillen tussen de subtypen.

Binnen de Noordzee Kustzone komt het subtype H2190B (kalkrijk) voor. Dit subtype komt voor in geheel of vrijwel geheel verzoete primaire duinvalleien en in secundaire duinvalleien die zijn ontstaan door uitstuiving. Kenmerkend zijn vooral de natte omstandigheden, waarbij de standplaatsen in de winter onder water staan en in voorjaar droogvallen. Vanwege de afwijkende dynamiek van het duinwatersysteem kunnen echter ook jaren optreden waarin valleien vrijwel permanent onder water staan, en jaren waarin de valleien ook in de winter droog staan. Dit kan leiden tot schijnbaar dramatische verschuivingen in de vegetatiesamenstelling, maar in een natuurlijke duinsysteem met voldoende natte valleien en veel variatie in maaiveldhoogte is de veerkracht van de populaties voldoende om dit soort extremen te overleven.

In de kalkrijke duinen is het vooral het kalkgehalte van de bodem, dat zorgt voor de neutrale tot basische condities. In de kalkarme duinen is aanvoer van basenrijk grondwater nodig voor instandhouding van kalkrijke duinvalleivegetaties. In jonge primaire duinvalleien en in verzoetende strandvlaktes kan ook incidentele overstroming met brak water of nog in de bodem aanwezig brak grondwater zorgen voor zuurbuffering.

Het habitattype is in onze kustduinen zeer gevarieerd. Het is wijd verspreid en over een grote oppervlakte ontwikkeld. Dit betekent dat ons land een zeer grote verantwoordelijkheid heeft voor het behoud van dit habitattype.

Meer informatie over vochtige duinvalleien kunt u hier vinden.