Descriptoren en criteria
De KRM beschrijft de goede milieutoestand aan de hand van elf onderscheidende elementen, de descriptoren. Deze descriptoren zijn onderverdeeld in criteria, aam de hand waarvan wordt bepaald of de goede milieutoestand is bereikt. Deze pagina biedt een overzicht van de criteria die Nederland toepast, en geeft aan welke indicatoren en drempelwaarden daarbij worden gehanteerd.
In het Besluit voor de Goede Milieutoestand (2017) zijn 42 primaire en secundaire criteria benoemd, waarvan Nederland er in de Mariene Strategie deel 1 (2024) 40 heeft toegepast. Primaire criteria moeten worden gebruikt om te zorgen voor samenhang in de beoordeling in de hele Europese Unie. Met betrekking tot secundaire criteria wordt flexibiliteit geboden. De lidstaten beslissen zelf over het gebruik van een secundair criterium: als aanvulling op een primair criterium of wanneer, voor een bepaald criterium, het mariene milieu het risico loopt de goede milieutoestand niet te bereiken of te behouden. Deze criteria inclusief drempelwaarden vormen samen met de milieudoelen en maatregelen de ecologische randvoorwaarden voor activiteiten op de Noordzee.
Voor de feitelijke beoordeling zijn indicatoren opgesteld die algemeen als werkbaar en betrouwbaar zijn erkend. Deskundigen uit diverse landen werken daartoe onder meer samen in OSPAR-verband en in de Common Implementation Strategy voor de KRM.
Niet voor alle descriptoren zijn al (voldoende) indicatoren beschikbaar. Zo ontbreekt bijvoorbeeld nog een indicator voor de beoordeling van de toestand van het voedselweb en de complexe interacties daarbinnen.
D1 Biodiversiteit (Vogels)
D1 Biodiversiteit (Zeezoogdieren)
Zeezoogdier-populaties worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid op de lange termijn is gegarandeerd.
D1 Biodiversiteit (Vissen)
Vispopulaties worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid op de lange termijn is gegarandeerd.
D1 Biodiversiteit (Koppotigen)
Populaties van koppotigen worden niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid op de lange termijn is gegarandeerd.
D3 Commercieel geëxploiteerde soorten vis, schaal- en schelpdieren.
Populaties van alle commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren blijven binnen veilige biologische grenzen, en vertonen een demografie die kenmerkend is voor een gezond bestand.
D4 Voedselwebben
Alle trofische gilden in het mariene voedselweb, voor zover deze bekend zijn, hebben een productiviteit, dichtheid en diversiteit op een niveau dat het functioneren van het voedselweb garandeert.
D5 Eutrofiëring
Door de mens teweeggebrachte eutrofiëring en vooral de schadelijke effecten ervan, zijn tot een minimum beperkt.
D6 Integriteit van de zeebodem en benthische habitats
De integriteit van de zeebodem is zodanig dat de structuur en de functies van de ecosystemen zijn gewaarborgd en dat met name benthische ecosystemen niet onevenredig worden aangetast.
D7 Permanente wijziging hydrografische eigenschappen
Permanente wijziging van de hydrografische eigenschappen berokkent de mariene ecosystemen geen schade.
D8 Verontreinigende stoffen
Concentraties van vervuilende stoffen zijn zodanig dat geen verontreinigingseffecten optreden.
D9 Verontreinigende stoffen in visserijproducten
Vervuilende stoffen in visserijproducten overschrijden niet de grenzen die in EU-wetgeving voor menselijke consumptie zijn vastgesteld.
D10 Zwerfafval
Zwerfafval op zee veroorzaakt geen schade aan het mariene en kustmilieu.
D11 Toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid
De toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid, ligt op een niveau dat het mariene milieu geen schade berokkent.