MONS-programma 'bijna klaar voor de start'

Begin 2022 gaat de uitvoeringsorganisatie van het MONS-programma aan de slag (Monitoring-Onderzoek-Natuurversterking-Soortenbescherming). Ter voorbereiding smeedde de Expertgroep 141 projectvoorstellen, een totaalbudget van 55 miljoen euro, en een uitvoeringstermijn van 10 jaar samen tot een adaptief en integraal geheel. Expertgroep-voorzitter Jakob Asjes (Wageningen Marine Research) over de belangrijkste uitdagingen in de komende periode.

Wat eraan voorafging

Dwergpuilinktvis-eieren op een wrak in de NoorzeekustzoneMaar eerst een korte terugblik. Op 8 september 2021 heeft het Noordzeeoverleg de inhoud van het MONS-programma vastgesteld. Het gaat om onderzoek naar de ecologische draagkracht van de Noordzee, en om kennisontwikkeling om de effecten van de drie transities (energie-voedsel en natuur) op de Noordzee te kunnen beoordelen. En last but not least om studies in het kader van soortenbescherming en natuurversterking.

In het vorige artikel vertelde Henk Merkus (ministerie van IenW) over de startfase van het onderzoeksprogramma. Over de organisatie zei hij: “Als gedelegeerd opdrachtgever namens het Noordzeeoverleg was er een MONS-programmaoverleg opgericht. Daarnaast was er de MONS-Expertgroep, die als opdrachtnemer fungeerde. Partijen van het Noordzeeoverleg hebben, samen met de leden van de KNAW Klankbordgroep voor de Noordzee, richting gegeven aan zowel het opdrachtgeversperspectief als aan de opdrachtnemersrol.”

Toen de taakomschrijving er eenmaal was, ging het NZO verder met de inhoud van het onderzoeksprogramma. Jakob Asjes (Wageningen Marine Research) en Jeroen Vis (ministerie van LNV) werden gevraagd als voorzitters van de Expertgroep, die bestond uit partijen van het Noordzeeoverleg en vertegenwoordigers van drie grote onderzoeksinstituten: NIOZ, Deltares en WMR. Desgevraagd vertelt Jakob Asjes over de belangrijkste uitdagingen in de komende tijd.

Hoe worden de 141 projectvoorstellen de komende jaren uitgevoerd?

“Het wordt een adaptief programma dat gefaseerd wordt uitgevoerd. Als je de kosten van alle 141 projectvoorstellen optelt, zou er een budget van bijna 85 miljoen euro nodig zijn, terwijl er de komende 10 jaar 55 miljoen beschikbaar is. Dat betekent dus dat er keuzes gemaakt moeten worden. Dat betekent niet dat de projecten, die nu geen prioriteit krijgen, niet belangrijk zijn. Maar je moet ergens beginnen.

We starten onder andere met onderzoeksvoorstellen die voorzien in de ontwikkeling van algemene basiskennis over het ecosysteem van de Noordzee. Daarmee wordt al een deel van de geïdentificeerde kennisleemte uit het Noordzeeakkoord opgevuld. We starten ook snel met onderzoek dat gerelateerd is aan urgente en prioritaire beleidsopgaves uit het Noordzeeakkoord.

Door de ingebouwde flexibiliteit van het programma kunnen we inspelen op voortschrijdend inzicht dat in het komende decennium kan ontstaan. Immers, onderzoeksvoorstellen die nu nog in het MONS-rapport staan, zijn over vijf jaar wellicht niet meer relevant. Bijvoorbeeld vanwege politieke keuzes, of omdat bepaalde kennis al buiten het MONS is ontwikkeld. Het kan ook zijn dat er nieuwe beleidsopgaves belangrijker worden voor het onderzoek.”

MONS moet zorgen voor inzicht in de ecologische draagkracht van de Noordzee, maar over welk soort onderzoek gaat het dan?

“Het gaat om verschillende typen onderzoek: van kort en klein naar lang en groot. De uitvoering gebeurt stapsgewijs.

  • Een voorstel voor een langlopend onderzoek dat zeker 10 jaar zal duren is de monitoring van de primaire productie in onze Noordzee. We weten nog maar heel weinig over de basis van het voedselweb, dus over het fytoplankton en het zoöplankton. Ook de basiskennis over populaties van bepaalde diersoorten moet worden versterkt, zoals over zeezoogdieren, vissen en bentische soorten. Deze basiskennis hebben we nodig om vragen over mogelijke effecten van ingrepen op ecosysteemniveau te kunnen inschatten.
  • Een voorbeeld van een middelgroot onderzoek is een deskstudie naar innovatieve monitoringstechnieken. Her en der liggen er veelbelovende nieuwe technieken op de plank. Denk aan het gebruik van satellietbeelden voor monitoringsdoeleinden, of aan varende drones of aan onderwaterdrones. Maar ook aan passieve akoestische monitoringsmethoden, bijvoorbeeld via boeien. De vraag is welke technieken die kunnen leiden tot meer data en/of een efficiëntere monitoring, er in de praktijk bruikbaar zijn?
  • Een voorbeeld van een kort onderzoek is het leveren van de gewenste inhoud van de rapportage ‘De Staat van de Noordzee’. Daar heeft het Noordzeeakkoord om gevraagd.”

Als het beschikbare budget van 55 miljoen -verdeeld over 10 jaar en 141 projecten- niet voldoende is, hoe kom je dan aan meer?

“Uit een globale kostenraming blijkt dat de ontwikkelde 141 projectvoorstellen bijna 85 miljoen euro kosten. Maar wellicht zijn er mogelijkheden om onderzoek medegefinancierd te krijgen uit andere bronnen, bijvoorbeeld uit Europese of regionale subsidies, of uit internationale fondsen. Met andere woorden: we kijken of we een multiplier kunnen regelen door de MONS-voorstellen te koppelen aan andere onderzoeksprojecten en subsidiemogelijkheden. Daardoor krijg je meer dan de som der delen.”

Wat zijn volgens u de belangrijkste uitdagingen de komende tijd?

“Op dit moment wordt er gewerkt aan het samenstellen van een uitvoeringsorganisatie die het MONS-programma gaat uitrollen. Deze uitvoeringsorganisatie zal met een aantal uitdagingen te maken krijgen.

Een uitdaging is bijvoorbeeld het bewaken van de integrale uitvoering van de onderzoeksprogrammering. Dat betekent zorgen dat de onderzoeken onderling moeten worden afgestemd. Daarbij hoort ook het delen van data. De ontwikkelde data moeten voor alle onderzoeksprogramma’s beschikbaar zijn.

De Noordzee houdt niet op bij de grens van het Nederlands Continentaal Plat. Ook dat zorgt voor uitdagingen. Denk aan het belang van internationale afstemming met OSPAR, de EU, en ICES. Soms moeten we een internationale aanpak kiezen om bepaalde vraagstukken te kunnen beantwoorden.

Dan is er nog het verwachtingsmanagement. Het MONS-programma is immers gemaakt ten behoeve van het Noordzeeoverleg. Daar gaat het over politieke processen, het afwegen van belangen en het trekken van conclusies. Maar onderzoek kost nu eenmaal tijd. Soms duurt het vier tot vijf jaar of soms nog langer voor je antwoord krijgt op een bepaalde kennisvraag. Als politieke keuzes van de overheid mede bepaald moeten worden door de uitkomsten van het onderzoek, dan vraagt dat dus geduld.”

Welke politieke keuzes zouden er dan moeten wachten tot er meer kennis beschikbaar is?

“Denk aan keuzes over het nog meer opschalen van windenergieparken op zee. De toename van het aantal windturbines heeft mogelijk gevolgen op de hydrodynamische processen in de zee. Doordat er wind wordt weggevangen, kunnen golfpatronen veranderen. De turbines in een windpark leiden ook tot meer turbulentie in het water. Zulke veranderingen in de waterbeweging hebben effect op allerlei biologische processen.

Daarover bestaan veel vragen. Wat betekent de veranderende waterbeweging bijvoorbeeld voor de primaire productie, en hoe werkt die verandering door in hogere trofische niveaus in de voedselketen, dus op de vissen, de visetende vogels en de zeezoogdieren? Het antwoord op deze kwesties vraagt om veel veld- en procesonderzoek.

Maar dat niet alleen. De gegevens moeten vervolgens ook geïntegreerd worden in modellen, zodat we scenario’s kunnen doorrekenen en voorspellingen kunnen doen over mogelijke consequenties van beoogde nieuwe initiatieven. Dit alles betekent ingewikkeld, langjarig werk. Dat is niet klaar binnen twee jaar.”

Er loopt al onderzoek via WOZEP (Wind op zee ecologisch programma). Hoe is MONS daarbij aangesloten?

“We streven naar maximale afstemming tussen de twee onderzoeksprogramma’s. WOZEP gaat over kennisontwikkeling voor besluitvorming over windenergie op zee. MONS is breder dan dat. Die twee programma’s zouden elkaar maximaal moeten versterken. Binnen het Noordzeeoverleg is afgesproken dat het WOZEP-budget vanaf 2024 onderdeel uitmaakt van het MONS-programma.”

Hoe gaat het verder?

“Het goede nieuws is dat we 10 jaar tijd hebben voor de uitvoering van het MONS-programma. Het onderzoek hoeft dus niet morgen al klaar. De opschaling van windenergie op zee kost immers ook nog vele jaren, en ook de besluitvorming daarover is adaptief heb ik begrepen. Maar het betekent wel dat we snel moeten beginnen met het onderzoek. De uitvoeringsorganisatie gaat waarschijnlijk begin 2022 van start. Hierop hebben we niet gewacht. Om een vliegende start te maken, zijn de eerste zogenaamde ‘no regret’-onderzoeken dit najaar al in gang gezet vanuit het Noordzeeoverleg.”

NB: In de komende periode zal de IDON-redactie regelmatig aandacht geven aan de voortgang van het MONS-programma en verder ingaan op de verschillende onderzoeken. Met andere woorden: wordt vervolgd.