Makreel

Legenda

In de zomermaanden zwemmen makrelen in grote scholen in de bovenste waterlagen van de zee, op jacht naar roeipootkreeftjes, vlokreeftjes, vislarven en meer. Vooral na de paaitijd jagen ze ook op haring, sprot en zandspiering. Daarbij komen ze in de zomer tot dicht aan de kust.

Makreel wordt met trawlers bevist in de noordelijke Noordzee en de noordoost-Atlantische wateren. De soort is van groot commercieel belang. Makrelen kunnen 60 cm lang en 20 jaar oud worden, en er zijn scholen gesignaleerd van 9 km lang, 4 km breed en 40 meter diep. Als het zeewater afkoelt, laat de makreel zich naar de zeebodem zakken en belandt daar in een soort winterslaap. Ze eten dan erg weinig.

Makrelen hebben geen zwemblaas. Dit stelt ze in staat om snel te duiken in diep water of om snel naar de wateroppervlakte te stijgen. Het zijn bijzonder snelle zwemmers, die veel zuurstof nodig hebben. Ze moeten continu blijven zwemmen om er voor te zorgen dat zuurstofrijk water door hun kieuwen stroomt. Het totale oppervlak van die kieuwen is tien keer zo groot als het oppervlak van het hele lichaam van de makreel.

Op de kaarten is aangegeven hoe de makreel zich in zijn vierde levensjaar en later zich door het jaar heen verspreid (International Bottom Trawl Survey (IBTS)). In het eerste kwartaal zijn er bijna geen makrelen aanwezig in de Noordzee. In het tweede en derde kwartaal komen ze overal wel voor, maar de grote aantallen vooral langs de Nederlandse kust. In de vierde periode trekken ze weer weg uit de Noordzee.