Geomorfologie

Legenda

De zeebodem voor de Nederlandse kust heeft verschillende vormen, zoals zandbanken, zandgolven en ebdelta’s. In grote lijnen kunnen we onderscheid maken tussen de vlakke zeebodem en de onderwateroever. De vlakke zeebodem heeft een algemene helling van maximaal 1:1000.

Het zuidelijke deel wordt gekenmerkt door zandgolven die in hoogte afnemen: van meer dan 6 meter in het zuiden tot 2 meter ter hoogte van Den Helder. Verder noordwaarts komen vrijwel geen zandgolven voor, met uitzondering van een gebied ter hoogte van Texel en Vlieland.

De lengte van de banken varieert van enkele tot tientallen kilometers. Ze zijn één tot enkele kilometers breed. De banken in het zuidelijke complex (de Zeeland Banken) liggen dieper (20-30m –NAP) dan die in het noordelijke complex (14-20m -NAP). De zuidelijke banken hebben een hoogte van 4 tot 20 meter, de noordelijke zijn 3 tot 6 meter hoog. In beide complexen bevinden zich banken die met de onderwateroever zijn verbonden: de kustaangehechte banken. Dit is goed te zien bij het centrale deel van de Hollandse kust.

De vlakke zeebodem gaat kustwaarts over in de sterker hellende onderwateroever. De overgang ligt in het algemeen op ongeveer 20m -NAP (15m -NAP bij het centrale deel van de Hollandse kust). Bij de zeegaten in het Deltagebied en het Waddengebied wordt de onderwateroever gedomineerd door buitendelta’s met bijbehorende geulen en platen.

De helling van de onderwateroever neemt bij de Hollandse kust en de centrale delen van de Waddeneilanden kustwaarts toe. Opvallend is dat de gemiddelde helling het grootst is in het centrale deel van de Hollandse kust. Het gedeelte boven de 10-meterdieptelijn is echter in het noorden en zuiden van de Hollandse kust steiler dan in het centrale deel.