Ga direct naar de content
Home  |  Contact  |  Veelgestelde vragen  |  Wegwijzer  |  Bibliotheek  |  Links  |  Actueel  |  Abonneren Mail actueel  
 

Ontgrondingenwet

Officiële naam Wet van 27 oktober 1965, houdende regelen omtrent de ontgrondingen
Bereik Continentaal plat, EEZ, Territoriale zee
Verantwoordelijke minister Minister van Infrastructuur en Milieu
Datum aanname 27-10-1965
Datum inwerkingtreding 01-07-1971
Commentaar Onderstaande informatie heeft betrekking op de tekst geldend op: 01/11/2011.
Status Vigerend

Essentie:

De Ontgrondingenwet stelt regels ten aanzien van de winning van oppervlaktedelfstoffen, zoals zand, grind, klei en schelpen. Het belangrijkste instrument dat hierbij gehanteerd wordt is een vergunningenstelsel voor ontgrondingen. De Wet is nader uitgewerkt in het Besluit van 9 januari 2008, houdende uitvoering van de Ontgrondingenwet voor rijkswateren (Besluit ontgrondingen in rijkswateren).

In de Ontgrondingenwet wordt een onderscheid gemaakt tussen ontgrondingen in bij ministeriële regeling aangewezen rijkswateren en andere ontgrondingen. De rijkswateren waarop de Ontgrondingenwet van toepassing is, zijn vastgesteld in de Regeling ontgrondingen in rijkswateren. Deze omvatten mede de territoriale wateren en de EEZ. Daarnaast stelt de Wet dat deze mede van toepassing is op ontgrondingen op het continentaal plat, bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet (artikel 4a). Tevens stelt de Wet dat een ontgronding wordt geacht in de zee plaats te hebben “indien zij plaats heeft daar, waar de bodem bij gewone vloed of gewoon zomerpeil door het water van de zee wordt bedekt” (artikel 2). Voort het toepassingsgebied van de Wet is tevens de 20-meter dieptelijn, die wordt gehanteerd voor de begrenzing van het kustfundament, van belang. Landwaarts van deze lijn zijn ontgrondingen niet toegestaan om te voorkomen dat er eventuele schade wordt veroorzaakt aan het kustfundament.

Hoofdstuk I van de Wet bevat naast de boven gegeven definities een aantal andere algemene bepalingen. De Wet bevat een algemeen verbod om zonder vergunning te ontgronden. Daarnaast wordt onder andere aangegeven welke nadere voorschriften kunnen worden verbonden aan een vergunning voor een ontgronding ter bescherming van alle bij een ontgronding betrokken belangen (artikel 3). De Wet verbiedt het handelen in strijd met deze voorschriften (artikel 3a). De Wet bepaalt verder dat de Staat eigenaar is van “de op of onmiddellijk onder de oppervlakte van het continentaal plat aanwezige vaste stoffen, met inbegrip van de delfstoffen, bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, voorzover die delfstoffen op een diepte van minder dan 100 meter beneden de oppervlakte van het continentaal plat aanwezig zijn” (artikel 4b).

Hoofdstuk II van de Ontgrondingenwet heeft betrekking op vergunningen. De Minister van I&M is bevoegd tot het verlenen, wijzigen en intrekken van vergunningen voor een ontgronding bij ministeriële regeling aan te wijzen rijkswateren. Ten aanzien van andere ontgrondingen berust deze bevoegdheid bij gedeputeerde staten van de betrokken provincie.

Hoofdstuk III van de Ontgrondingenwet stelt een beroepsprocedure in ten aanzien van beschikkingen genomen onder hoofdstuk II van de Wet.

Hoofdstuk IV van de Ontgrondingenwet stelt onder andere regels ten aanzien van de handhaving van de Wet.

Hoofdstuk V van de Ontgrondingenwet stelt regels ten aanzien van vergoeding van schade veroorzaakt door ontgrondingen.

Het Besluit ontgrondingen in rijkswateren bevat nadere regels voor rijkswateren ter uitvoering van de Ontgrondingenwet. De kernbepalingen van dit besluit zijn de uitzonderingen op de algemene vergunningplicht van artikel 3 Ontgrondingenwet.

Volledige wetstekst: Ontgrondingenwet

Samenvatting Ontgrondingenwet (PDF 35 Kb)