Ga direct naar de content
Home  |  Contact  |  Veelgestelde vragen  |  Wegwijzer  |  Bibliotheek  |  Links  |  Actueel  |  Abonneren Mail actueel  
 

Windenergie - Vragen

 
Nee, want sinds 2008 is het moratorium van kracht, in afwachting van nieuwe regelgeving (voorzien in 2014).
Tot nu toe zijn vergunningen afgegeven voor windturbineparken inclusief kabels (alleen voor het traject op de zeebodem). Momenteel worden aanvragen niet in behandeling genomen.
Hiervoor geldt hetzelfde als voor kabels: er zijn vergunningen afgegeven voor het gehele werk, dus inclusief kabels en andere onderdelen, zoals bijvoorbeeld een transformatorplatform. Momenteel worden aanvragen niet in behandeling genomen.
De geldigheidsduur is gebaseerd op de technische levensduur van een windturbinepark. De vergunningen voor de windturbineparken Offshore Windpark Egmond aan Zee en Prinses Amalia zijn afgegeven voor een periode tot twintig jaar vanaf het eerste moment dat elektriciteit van (een gedeelte van) het werk door de bekabeling naar land gaat tot aan het begin van de verwijderperiode. 20 jaar is tevens de verwachte levensduur van huidige windturbines. Na het vervallen van de vergunning moet het bedrijf het park weer weghalen. De vergunning kan eventueel tegen die tijd worden verlengd.

In totaal zijn 17 volledige aanvragen in behandeling genomen. Deze zijn op volgorde van binnenkomst behandeld. Vijf daarvan zijn afgewezen, 12 plannen zijn vergund (zie het tabblad Kaart). 
a. De eerste 2 definitieve vergunningen waren voor West Rijn en Breeveertien II (Airtricity) en werden op 7 september 2009 gepubliceerd.
b. Op 2 november 2009 werden 4 definitieve vergunningen afgegeven: Brown Ridge Oost (Brown Ridge Oost BV i.o., E-Connection), Tromp Binnen (RWE), Den Helder I (Airtricity), Beaufort (NUON, voorheen Katwijk, WEOM).
c. Op 2 november 2009 werden tevens 5 definitieve afwijzingsbesluiten afgegeven: (Helmveld (Evelop), Callantsoog Noord (Eneco), Rijnveld Noord (Rijnveld Noord BV i.o.), Rijnveld Oost (Rijnveld Oost BV i.o) en Rijnveld West (Rijnveld West BV i.o.)).
d. Op 4 december 2009 werden 3 vergunningen afgegeven voor BARD Offshore NL1 (Bard Engineering), GWS Offshore NL1 (Global Wind Support) en EP Offshore NL1 (Eolic Power)).
e. Op 18 december 2009 werden 3 vergunningen afgegeven voor Scheveningen Buiten (Evelop),Q4-WP (Q4 –WP BV i.o., E-Connection) en Q10 (Eneco).

De toenmalige Staatssecretaris van V&W, Tineke Huizinga, heeft de besluiten afgegeven; Rijkswaterstaat heeft deze voorbereid. De besluiten zijn genomen in het kader van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken (nu de Waterwet).
Elke aanvraag werd getoetst op effecten die het park kan hebben op scheepvaartveiligheid, veilige bereikbaarheid van de offshore mijnbouwplatforms (helikopterverkeer), ecologie (natuur en milieu) en op overige belangen (zandwinning, militaire gebieden etc.). De uitkomst van deze toetsing bepaalde of de aanvraag kon worden toegewezen (evt. met voorgeschreven mitigerende maatregelen) of afgewezen.
Voor twee parken geldt dat deze moesten worden afgewezen vanwege hun te grote cumulatieve effecten op de ecologie - de kolonie Kleine mantelmeeuwen op Texel. Er is getoetst aan de Natura 2000 instandhoudingsdoelstellingen. Deze parken vielen ook af vanwege hun ligging ten opzichte van olie- en gasplatforms. De veilige bereikbaarheid van deze platforms met helikopters werd onaanvaardbaar aangetast. Verder zijn er parken afgewezen vanwege de ligging ten opzichte drukke scheepvaartroutes en kruisingen tussen deze routes (veiligheidsprobleem voor de scheepvaart). In veel gevallen ging het om een combinatie van de genoemde factoren.
Er is inspraak geboden op de Milieu-effectrapportages die zijn gemaakt voor de afzonderlijke parken. Vervolgens zijn in ontwerp besluiten opgesteld, waartegen zienswijzen konden worden ingediend. Na bekendmaking van de definitieve besluiten stond beroep open bij de rechtbank. Van deze beroepsmogelijkheid is gebruik gemaakt.
Hierbij gaat het om uiteenlopende motivaties: bv. weigering vergunning (2x), havenbedrijven inzake een veilige toegang tot de havens, Productschap Vis in verband met verkleining visgronden en mijnbouwbedrijven wegens overlap met prospectgebieden.
Ongeveer 25. De uitspraken werden gebundeld per windmolenpark.

1) Beroep tegen weigeringen (uitspraak 30 december 2010). De rechter bepaalde dat de beroepen deels ongegrond, deels gegrond waren:
a)       Veiligheid aanvliegroutes offshore: de rechtbank was van oordeel dat het onderzoek/motivatie tav het aspect veilig bereikbaarheid van de offshore mijnbouwplatforms goed was.
b)       Ecologie: de rechtbank was van oordeel dat RWS bij de beoordeling van de vergunningaanvraag de gevolgen voor de Kleine mantelmeeuw beter had moeten motiveren. De rechtbank vernietigde dit gedeelte van het besluit.

De rechtbank bepaalde dat het beroep deels gegrond was maar het rechtsgevolg (weigering vergunning) bleef in stand.
2) Op 24 maart 2011 werd door de rechtbank uitspraak gedaan in 9 van de 12 beroepszaken. Alle beroepen op het gebied van scheepvaartveiligheid en vis werden door de rechtbank ongegrond verklaard. Voor wat betreft de mijnbouwbedrijven oordeelde de rechter dat één van de voorschriften aangepast moest worden. De vergunning bleef echter in stand.
3) Op 12 mei respectievelijk 1 juni 2011 werd door de rechtbank uitspraak gedaan in de laatste 3 beroepszaken (Scheveningen Buiten, Q10 en Beaufort). Alle beroepen op het gebied van scheepvaartveiligheid en visserij werden door de rechtbank ongegrond verklaard. De vergunningen bleven hiermee volledig in stand.

Het bevoegd gezag heeft alle aanvragen getoetst op scheepvaartveiligheid. Er zijn veiligheidsberekeningen uitgevoerd door de aanvrager in het milieueffectrapport, er is vanuit de nautische praktijk naar de ligging van de parken gekeken en de verkeersstromen en kruispunten van scheepvaartroutes rondom de parken zijn geanalyseerd.
Vergunninghouders konden starten met de bouw vanaf het moment dat de vergunning definitief was. Op dit moment is bij ons niet bekend dat bouwwerkzaamheden zijn gestart. Dit is mede afhankelijk van het verloop van de juridische procedures en de financiering. De duur van de bouw is erg afhankelijk van de weersomstandigheden. Er zal 1 tot 2 jaar voor nodig zijn.
Voorgeschreven is dat vanwege de effecten op zeedieren (onderwatergeluid) heiwerkzaamheden niet mogen plaatsvinden in de periode van januari t/m juni; verder staat het de vergunninghouders vrij om bouwwerkzaamheden uit te voeren wanneer zij dat willen. Het zomerseizoen levert echter de beste weersomstandigheden.
In principe moet een initiatiefnemer binnen drie jaar na het verkrijgen van de vergunning starten met de bouw, anders vervalt de vergunning. De vergunningen verlopen in 2012. Dit is zo geregeld om geen ongewenste ruimteclaims op de drukke Noordzee te leggen, ivm eventuele andere gebruiksactiviteiten. Op 13 december is er echter een motie ingediend (Motie van Veldhoven [nr 52 (32500-A) dd 13 dec 2010])
In dit kader wordt overlegd gevoerd tussen vergunninghouders en belanghebbenden over de mogelijkheden om de vergunningen te verlengen.
De parken zijn niet/nauwelijks te zien vanaf de kust. Dit is onderzocht in het Milieu-effectrapport. Ze liggen allen op meer dan 12 mijl uit de kust, dat is meer dan 25 kilometer. De 3 vergunningen ten noorden van de Waddeneilanden liggen op 56 km van de eilanden.
Er zijn nu totaal rond de 800 windturbines vergund.
Het opgestelde vermogen per windturbine varieert per park van 3 MW tot 6 MW. Op zee zijn 3600 tot 4400 ‘vollasturen’ haalbaar, zodat een 3MW-turbine jaarlijks 12000 MWh productie kan leveren. Eén huishouden verbruikt jaarlijks gemiddeld 3,8 MWh.
Ruim 3 miljoen huishoudens wanneer alle vergunde windparken zouden worden gebouwd.
Dit is afhankelijk van wanneer de bouw gestart wordt: voor de bouw zal 1 tot 2 jaar nodig zijn.
Dat is een vraag die alleen de vergunninghouders zelf kunnen beantwoorden.
De vergunninghouders die subsidie ontvangen van het Ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie, krijgen een deel vergoed.
Bij het onderdeel Geografische informatie kunt u doorklikken naar een aparte internetsite. U kunt zich hier aanmelden om toegang te krijgen tot actuele gegevens van gebruiksfuncties.
Voor de veiligheidszone geldt, dat elk punt op de grens van de veiligheidszone ten hoogste 500 meter verwijderd is van een overeenkomstig punt op de buitengrens van de installatie.
Nee, voor de kabels geldt de veiligheidszone niet. Er is wel sprake van een zogenaamde "onderhoudszone". Dit houdt in dat aan één van beide zijden van de kabel in principe 1000 meter afstand moet worden gehouden. Aan de andere zijde moet een afstand van 500 meter in acht worden genomen. Deze afstanden zijn bedoeld om de kabeleigenaar de mogelijkheid te geven de kabel te kunnen onderhouden.
Er zijn geen lopende aanvragen voor vergunningen meer in behandeling en er rust een moratorium. Dit moratorium zal pas worden opgeheven zodra duidelijk is hoe de volgende ronde van vergunningverlening en subsidieverstrekking eruit zal zien.
Het staat een vergunninghouder vrij om zonder subsidie, dus geheel op eigen kosten, een park te realiseren.

De vergunde parken liggen buiten de bestaande scheepvaartroutes. De in het Nationaal Waterplan 2009-2015 aangewezen windenergiegebieden liggen ook buiten de bestaande scheepvaartroutes en houden rekening met ander gebruik en ecologie.

Bij het aanwijzen van (eventueel) aanvullende windenergiegebieden wordt rekening gehouden met de al verleende vergunningen

In alle ontwerpbesluiten tot vergunningen zijn monitorings- en evaluatievoorschriften opgenomen. Doel van die voorschriften is om te leren van ieder gebouwd park en daarmee meer inzicht te krijgen in de werkelijk gemeten effecten van windparken op de omgeving, met name de ecologie. Met dit ‘voortschrijdend inzicht’ kunnen op lange termijn de (bouw)technieken beter worden afgestemd op de omgeving en kunnen scherpere afwegingen worden gemaakt over het al dan niet vergunnen van windparken.
Ten behoeve van de lange termijnontwikkeling van wind op zee wordt op dit moment ook onderzoek uitgevoerd in opdracht van de overheid zelf. Dit onderzoek is bedoeld om ecologische onzekerheden weg te nemen, die grootschaliger realisatie van windparken in de weg kunnen staan. Dit kan leiden tot aanscherping of versoepeling van de vergunningvoorwaarden. Onderzoeksresultaten zijn nog niet bekend. Deze worden op zijn vroegst in september 2011 verwacht.
Hoe nieuwe initiatieven voor wind op zee geregeld gaan worden is nog niet bekend. Een nieuw uitgiftestelsel is voorzien in 2015.