Ga direct naar de content
Home  |  Contact  |  Veelgestelde vragen  |  Wegwijzer  |  Bibliotheek  |  Links  |  Actueel  |  Abonneren Mail actueel  
 

Oppervlaktedelfstoffenwinning - Vergunning

Voor het winnen van oppervlaktedelfstoffen is de Ontgrondingenwet (OW) van toepassing op de territoriale wateren en Exclusieve Economische Zone van de Noordzee. Deze wet regelt de primaire winning/ontgrondingen van oppervlaktedelfstoffen van voornamelijk zand en schelpen door middel van vergunningen. Bij het op diepte houden van de vaarwegen is sprake van secundaire winning en worden de ontgrondingen door middel van overeenkomsten geregeld. Voor het beproeven van sleepzuigmaterieel of onderzoek naar geschikte zandvoorkomens geldt een privaatrechtelijke regeling met de Domeinen waaraan de voorwaarden van RWS Noordzee zijn gehecht.
Het reguleren van de ontgrondingen op de Noordzee gebeurt op basis van de Ontgrondingenwet uit 1965, die in 1997 is aangepast. De wet is bedoeld ter bescherming van de bodem- en waterkwaliteit zoals vastgelegd in de diverse beleidsplannen en MER’s.
De aanvraag voor een vergunning wordt getoetst aan alle bij de ontgronding betrokken belangen. De vergunningen worden meestal voor drie jaar verleend.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat is bevoegd gezag, maar dit is gedelegeerd aan de Hoofdingenieur Directeur van RWS Noordzee. Voor de vergunningen aan Rijkswaterstaat zelf is dit de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

Om te komen tot een ontgrondingsvergunning wordt de procedure van de Algemene wet bestuursrecht (Abw) gevolgd. Dat neemt maximaal zes maanden in beslag; daarna volgt nog een beroepstermijn van zes weken.

De Awb kent de volgende stappen:
1. Vooroverleg en controle van het/de aan te vragen gebied(en) en de beoordeling of de aanvraag MER-plichtig is op basis van oppervlakte (coördinaten), conform het besluit m.e.r.;
2. Controle van het gevraagde gebied op kabels en leidingen, etc.;
3. Beoordelen van de aanvraag (ontvankelijkheid);
4. Opstellen van de ontwerpbeschikking, eventueel in samenspraak met de Inspectie Verkeer en Waterstaat (suppleties) en daarna openbaar maken van de ontwerpbeschikking via krant en lokaal nieuwsblad en deze tegelijkertijd met de aanvraag ter visie leggen (zes weken);
5. Opstellen van de definitieve beschikking en eventueel weerleggen van de ingebrachte zienswijzen/bedenkingen;
6. Indien er beroep is aangetekend en/of om een voorlopige voorziening is gevraagd, een verweerschrift respectievelijk pleitnotitie opstellen.