Oppervlaktedelfstoffenwinning - Beleid
Het beleid en de regelgeving voor de winning van oppervlaktedelfstoffen op de Noordzee is vastgelegd in de Nota Ruimte, het Tweede Ontgrondingenplan Noordzee en de Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning.
De Nota Ruimte (2004) stelt vast dat het belangrijk is de maatschappelijk aanvaardbare mogelijkheden voor winning van oppervlaktedelfstoffen daadwerkelijk te benutten. Over de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de Noordzee zegt de nota:
‘Winning van ophoogzand in de Noordzee is van nationaal belang. Diepe winning van beton- en metselzand en van ophoogzand is in beginsel toegestaan. Winning van bouwgrondstoffen kan in beginsel plaatsvinden zeewaarts van de doorgaande NAP –20 meter lijn. Landwaarts van deze lijn mag geen winning plaatsvinden. Uitzondering daarop vormen in beginsel winning uit vaargeulen, het aanleggen van overslagputten, winning waarbij het verwijderen van oppervlaktedelfstoffen uit de winlocatie bijdraagt aan de kustverdediging en het in de oorspronkelijke staat brengen van de zeebodem van voormalige stortgebieden. Schelpenwinning is toegestaan zeewaarts van de NAP –5 meter dieptelijn.’
De nadere voorwaarden voor winning van bouwgrondstoffen in de Noordzee zijn opgenomen in het Tweede Regionaal Ontgrondingenplan Noordzee (2004), dat inmiddels is opgegaan in Beleidsregels ontgrondingen in Rijkswateren (BOR).
Uitgangspunt is om aan de toenemende vraag naar oppervlaktedelfstoffen uit de Noordzee tegemoet te komen, rekening houdend met:
- Een zo zuinig mogelijk en zo hoogwaardig mogelijk gebruik.
- Een zo goed mogelijke afstemming met andere gebruiksfuncties.
- Een duurzaam functioneren van het watersysteem Noordzee.
Het BOR geeft voorwaarden voor kleinschalige (minder dan 10 miljoen m³ per vergunningaanvraag) en grootschalige (meer dan 10 miljoen m³) zandwinning. Kleinschalige winning was gebonden aan een maximum windiepte van 2 meter onder de zeebodem. Inmiddels is uit milieu-effect rapportages gebleken dat ook voor kleinschalige winning dieper winnen dan 2 meter verantwoord is. Dieper winnen dan 2 meter wordt nu ook voor kleinschalig winning, onder voorwaarden, toegestaan. Voor grootschalige winning is diepere winning in beginsel toegestaan. Aan het vaststellen van de windiepte worden wel grenzen gesteld. Er moet binnen afzienbare tijd ecologisch herstel van de zeebodem optreden en het effect op ander gebruik moet minimaal zijn.
Grootschalige zandwinning is toegestaan vanaf 2 km zeewaarts van de doorgaande NAP –20 meter lijn.
Voor winningen van een hoeveelheid van meer dan 10 miljoen m³ of een oppervlak van meer dan 500 ha moet een milieueffectrapportage worden gemaakt.
Rond platforms, pijpleidingen en kabels is een uitsluitinggebied van 500 meter van kracht.
Sinds 2006 moet zand dat binnen de doorgaande NAP –20 meter lijn wordt gewonnen bij het op diepte houden van de vaargeulen, worden teruggestort binnen het kustfundament.
De Landelijke Beleidsnota Schelpenwinning (1998) en de partiële herzieningen hiervan
geven aan waar schelpen mogen worden gewonnen en wat de maximale jaarlijkse hoeveelheden zijn.
Voor de Waddenzee, inclusief zeegaten, geldt een maximum van 200.000 m³ per jaar. In de Voordelta mogen maximaal 40.000 m³ schelpen per jaar worden gewonnen. Voor de overige Noordzee geldt geen maximum.
De Oslo-Parijs Conventie tegen vervuiling en verstoring van het mariene milieu heeft de aangesloten landen, waaronder Nederland, aangeraden de door de International Commission for the Exploration of the Sea (ICES) opgestelde
Guidelines for the Management of Marine Sediment Extraction
te hanteren.
Bij het opstellen van richtlijnen voor een milieueffectrapportage en bij het formuleren van voorwaarden bij vergunningverlening worden deze guidelines gebruikt.