Kabels en buisleidingen - Beleid
Pijpleidingen
- De minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor pijpleidingen verbonden aan een mijnbouwinstallatie op het Continentaal Plat.
- Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) is verantwoordelijk voor het toezicht op de olie- en gaswinning, met name op de aspecten veiligheid (interne- en externe veiligheid), gezondheid en milieu.
- Voor leidingen die vergunningplichtig zijn volgens de norm Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) is RWS Noordzee verantwoordelijk voor de vergunningverlening. Voor leidingen die onder de Mijnbouwwet vallen adviseert RWS Noordzee over de route (ruimtegebruik) en diepteligging (bodem) van pijpleidingen bij aanleg. Dit is vastgelegd in de NEN 3650. Ook adviseert RWS Noordzee bij het buiten gebruik stellen van leidingen.
- De Kustwacht is verantwoordelijk voor de scheepvaartveiligheid en adviseert over de diepteligging van pijpleidingen en over maatregelen tijdens werkzaamheden. In het Mijnbouwbesluit is vastgelegd dat de minister van VenW voorschriften kan opleggen wanneer een pijpleiding een scheepvaartroute kruist. De directeur Kustwacht voert dit uit.
- Wanneer een pijpleiding gepland is in gebied met een militaire functie, kan de minister van Defensie extra voorschriften opleggen.
In alle gevallen vindt nauw overleg plaats tussen de betrokken overheidsinstanties.
Ingraafeisen pijpleidingen
De eisen voor een pijpleiding zijn afhankelijk van de locatie (aanwezige gebruiksfuncties of bodemgedrag) waar de pijpleiding wordt aangelegd en de pijpdiameter (NEN 3650).
Pijpleidingen met een diameter < 16 inch moeten een zanddekking van minimaal 20 cm. hebben.
Pijpleidingen met een diameter > 16 inch mogen ingebed op de zeebodem worden gelegd, maar er mag geen onderspoeling plaatsvinden. In ‘gevoelige’ gebieden moeten deze leidingen worden ingegraven.
Gevoelig gebied is gedefinieerd als een gebied waar door bodemgedrag of gebruiksfunctie het ingraven van pijpleidingen gewenst is: rede-, anker- en stortplaatsen, gebieden met zandbanken, zandgolven en megaribbels, en de kustzone.
De ingraafeisen dienen ter bescherming van de pijpleiding tegen schade (breuk) door derden. Dit voor de bescherming van het milieu en de veiligheid van gebruikers van de Noordzee.
Kabels:
Bij het vaststellen van de optimale route van een kabel wordt gestreefd naar efficiënt ruimtegebruik. Dit kan worden bereikt door:
1. fysieke bundeling (meerdere kabels volgen – gedeeltelijk – hetzelfde kabeltracé)
2. een route die parallel loopt met reeds liggende infrastructuur (kabels en leidingen). In overleg met de vergunningverlener kan overeenstemming worden bereikt over het aan te vragen tracé.
Het bevoegd gezag hecht veel waarde aan goed vooroverleg. Alleen acceptabele routes, waarbij wordt voldaan aan gestelde randvoorwaarden, kunnen worden vergund. Als daaraan niet wordt voldaan (bijvoorbeeld als een route door een nog actief zandwingebied loopt) kan het zonder vooroverleg noodzakelijk zijn de vergunningaanvraag te weigeren. De volledige informatie vindt u in de Richtlijnen voor het ontwikkelen van een vergunbare kabelroute.