Baggeren - Vergunning
De minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van VROM zijn verantwoordelijk voor de vergunningverlening op grond van de Wet verontreiniging zeewater (Wvz) voor het verspreiden van baggerspecie op de Noordzee. Voordat er mag worden gebaggerd, moeten de initiatiefnemer en het bevoegd gezag een aantal stappen doorlopen. Die worden gaandeweg beoordeeld en daarna volgt een besluit over de vergunningaanvraag. Grofweg zijn dat:
• Stap 1: vooroverleg om te komen tot een aanvraag;
• Tussenstap: uitvoering onderzoek en beoordeling onderzoeksresultaten;
• Stap 2: aanvraag;
• Stap 3: beschikking Wvo of Wvz (Wet verontreiniging oppervlaktewateren / Wet verontreiniging zeewater).
Het bevoegd gezag hecht veel waarde aan goed vooroverleg. Dat schept immers duidelijkheid over de baggerwerkzaamheden. De volgende aspecten komen ter sprake:
• Waar en hoeveel wordt gebaggerd;
• De kwaliteit van de baggerspecie;
• Waar de baggerspecie wordt verspreid.
Tevens komen tijdens het vooroverleg aspecten van de praktische uitvoering ter sprake (zoals bemonsteringsplan conform NVN 5720, gebruikte baggertechnieken, laboratoria en analysemethoden).
De huidige stortlocaties voor zoute bagger op de Noordzee liggen buiten de gebieden van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) en gebieden met bijzondere ecologische waarden. Vergunningen voor het verspreiden van baggerspecie worden gegeven op basis van de Wet verontreiniging zeewater (Noordzee) en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (bijvoorbeeld Westerschelde, Oosterschelde en Waddenzee). Eerst wordt bekeken of er een landalternatief is, en zo niet, of lozing op zee schade aan het mariene milieu toebrengt. Daarbij wordt zowel gelet op de effecten van stoffen op organismen, als op de effecten van het bedelven van organismen door de bagger. De kwaliteit van te storten specie wordt vooraf getoetst aan het vastgestelde beleid. Dit alles betekent dat in de huidige vergunningverlening nut en noodzaak van baggerstort worden aangetoond en dat effecten beperkt zijn. Het integraal afwegingskader heeft dan ook geen verdere consequenties voor de bestaande verspreidingspraktijk.
De eventuele inrichting van een nieuwe stortlocatie valt onder de m.e.r.-plicht. Hiervoor moet het integraal afwegingskader wel worden doorlopen als uit het MER blijkt dat er significante effecten zijn. Afhankelijk van de locatie kunnen ook het afwegingskader van de Natuurbeschermingswet of de specifieke bepalingen voor gebieden met bijzondere ecologische waarden van toepassing zijn.
De Inspectie Verkeer en Waterstaat, Toezichteenheid Waterbeheer heeft op verzoek van Rijkswaterstaat het Inspectiekader verspreiden zoute bagger uitgebracht. Deze helpt vergunningaanvragers en vergunningverleners om te gaan met het beleid. Het inspectiekader is opgesteld door Inspectie VenW in samenwerking met betrokken RWS-diensten (Noord- Nederland, Noordzee en Zeeland), Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ) en Directoraat-Generaal Water (DGW).