Baggeren - Beleid
Het beleid rond het verspreiden van baggerspecie in zoute wateren is in 2004 veranderd met de invoering van de Chemie Toxiciteit Toets (CTT) en het vervallen van de Uniforme Gehalte Toets (UGT). De CTT is een geïntegreerd chemisch-biologisch beoordelingssysteem voor het verspreiden van baggerspecie in zoute wateren. Met de CTT is uitvoering gegeven aan het beleidsvoornemen voor de verspreiding van baggerspecie in zee. uit de vierde Nota waterhuishouding. In de CTT zijn overbodige parameters geschrapt uit de lijst van verplicht te meten stoffen. Het toetsen aan sommige individuele stoffen is vervangen door het toetsen aan somparameters. De bodemcorrectie wordt niet meer toegepast en de zogenaamde 50 procent-toetsregel is geüniformeerd. Nieuw is het landelijk beleid voor tributyltinverbindingen (TBT), die worden gebruikt als aangroeiwerende middelen op scheepsrompen. Enerzijds is het beleid er op gericht het gehalte van TBT in het milieu omlaag te brengen, anderzijds mag het veranderde beleid niet leiden tot onverantwoorde negatieve economische effecten.
Een ander nieuw element vormt de toetsing met behulp van de biologische maatlatten, de zogenaamde bioassays. Deze zijn als meetverplichting in het nieuwe beleid benoemd. De ontwikkeling van de bioassays is echter nog niet zover gevorderd dat verantwoorde normstelling, die tot diskwalificatie kan leiden, mogelijk is. Aan de meetverplichting met bioassays is een signaleringsfunctie gekoppeld, die bij overschrijding gevolgd moet worden door nader onderzoek. De CTT zal periodiek worden geëvalueerd.
Evaluatie
De afgelopen periode 2004-2006 zijn bioassays onderzocht op hun geschiktheid voor een diskwalificerende dan wel signalerende rol (Evaluatie CTT, DGW, 2006). Hierbij is geconstateerd dat de prestatiekenmerken van zowel de Corophium volutator als de Microtox Solid Phase onvoldoende zijn voor een diskwalificerende functie in een beoordelingssysteem zoals de CTT. Dit geldt ook voor een eventuele signaleringsrol in een monitoringssysteem. De DR-CALUX is wel dusdanig robuust dat deze voor persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen met een dioxineachtige werking kan worden ingezet in een monitoringssysteem. De keuze om bioassays in de CTT geen diskwalificerende rol te geven heeft er, in samenhang met de interpretatieruimte voor de uitvoeringspraktijk bij de vaststelling van de TBT-norm, aan bijgedragen dat de invoering van de CTT niet heeft geleid tot hogere baggerkosten. Bij een stringente en dwingende TBT-norm en een diskwalificerende rol van bioassays zou wél sprake zijn geweest van substantieel meer baggerspecie die niet verspreid zou kunnen worden. Het gevolg zou zijn geweest dat deze baggerspeciepartijen verwerkt dan wel gestort zouden moeten worden, met alle meerkosten van dien.
Uit de evaluatie CTT is naar voren gekomen dat de onderzochte CTT-bioassays niet geschikt zijn voor een diskwalificerende functie. Daarom zullen deze niet langer onderdeel uitmaken van het beoordelingssysteem voor verspreiding van bagger op zee.
Voor de Noordzeekust (het Wvz-gebied) wordt een TBT-norm van 115 mg Sn/kg d.s. voorgesteld. Hiermee wordt onnodige normopvulling voorkomen. ‘Onnodig’ omdat een ruimere TBT-norm niet nodig is om trendbreuken te voorkomen. Gelijk oplopend met de kwaliteitsverbetering van het mariene milieu op grond van nationale, Europese en mondiale maatregelen ter beëindiging van de milieubelasting met TBT zullen voornoemde TBT-normen stapsgewijs worden aangescherpt.